״Dat was een strop hè," zei hij, maar de jongens gaven geen kamp en plaagden hem geducht met zijn angst voor Zwartemes.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Twaalf dagen lag Willem nu al in het ziekenhuis.
De eerste dagen waren de jongens werkelijk bang geweest, dat Willem dood zou gaan en de beroemde professor, die er bij was gehaald ook. Maar die zei het niet. Die keek alleen maar ernstig en als iemand hem vroeg hoe het met den zieke ging, dan krabbelde hij zoo'n beetje in zijn baard en zei:
״Hhhm... we zullen wel eens kijken!"
Maar je kon aan zijn gezicht best merken, dat hij niets in zijn hum was.
Eiken dag kwamen de vader en moeder van Willem aan het ziekenhuis. De moeder van Willem huilde veel, maar als ze bij het bed stond van haar jongen, dan hield ze zich flink.
De vriendjes, Max, Edo en Karei en neef Hendrik kwamen natuurlijk ook dikwijls, maar als je er was kon je al niet veel anders doen dan op een stoel zitten en naar Willem kijken, want die moest heel rustig blijven liggen met ijs op het hoofd en zoo en spreken mocht hij absoluut niet.
Ja, ja, die val van het paard was heel erg aangekomen.
Maar zie, op den vijfden dag van de ziekte kwam er plotseling een verandering.
Toen de jongens dien dag aan het ziekenhuis kwamen, zagen ze al aan het gezicht van den professor, dat er wat bijzonders aan de hand was. Die lachte hen al van verre toe en toen ze bij hem waren gekomen, riep hij:
״Nou gaat het den goeien kant uit jongens... we
169