de lucht en daar vloog de lus van de lasso al over Karel's hoofd en voor hij het wist lag hij op den grond.
Alsof Karei zoo licht was als een veertje, tilde Zwartemes hem op en droeg hem terug naar de deken.
Daar legde hij Karei op de deken neer.
״Jongens," riep Zwartemes, ,,iedereen aan een punt, zoo doen wij in Amerika met jongetjes, die wegloopen, hopsa, hela, hola."
En daar vloog Kareltje door de lucht, plof daar viel hij weer terug op de deken en weer gooiden de jongens hem omhoog.
„Alle vogeltjes vliegen!" riep Max.
En Edo begon te zingen:
Hop Marianneke, stroop in het kanneke, Laat dit Kareltje dansen.
Karei bemerkte nu wel, dat Zwartemes en de anderen hem voor den gek hadden gehouden. En hij deed nu maar alsof hij dat gehos en geschud lekker vond.
Edo had een nieuw liedje bedacht. Hij zong nu:
Karei, waarheen is uw vlucht
Hooooooog in de lucht.
Over bergen en dalen
Waar ik een fopspeen moet halen.
Karei... waarheen is uw vlucht
Hoog in de lucht.
En hooger vloog Karei eiken keer opnieuw, maar opeens zei de deken „krik-krak" en er kwam een groote scheur in het midden, waarin Karei halverwege bleef vastzitten. Door den schok vielen de anderen achteruit en toen zaten ze allemaal op den grond.
Karei had pret voor tien.
168