״Nee," zei Karei, „hoe zou ik dat kunnen weten."
„Nou dan ben jij kort van memorie hoor," zei Zwartemes, „we hebben toch zeker de strijdbijl opgegraven. Straks hebben je vrienden je weggehaald, maar je hebt gezegd, dat je mij in mootjes zou hakken en inpekelen... hier ben ik."
Karei keek Zwartemes aan.
„Meent u dat werkelijk?" vroeg hij.
„Ik meen alles werkelijk. Oorlog is oorlog. Jij bent zelf begonnen. Nou scheid ik niet eerder uit of ik moet jou hebben verslagen."
Karei stamelde verlegen:
„Ja, maar zoo heb ik het niet bedoeld."
„Ik begrijp je niet," zei Zwartemes en hij keek zeer ernstig.
„Nou," zei Karei, „dat van straks was maar een gewoon grapje."
„Dat kan je nu wel zeggen," zei Zwartemes, „maar daar neem ik geen genoegen mee. Ik ben een Indiaan en ik laat me niet beleedigen."
„Beleedigen," zei Karei, „wie heeft u nu beleedigd?"
„Jij," zei Zwartemes, „jij hebt gezegd, dat je mij zou in mootjes hakken en inpekelen... Dat is een be-leediging. Ik ben een Indiaan en geen haring. Waar of niet, jongens," en Zwartemes draaide zich naar Max en Edo en naar neef Hendrik. Zonder dat Karei het zag, gaf hij hun een stiekem knipoogje en zij begrepen direct, dat Zwartemes bezig was Karei voor den gek te houden.
„Nou, hoe zit dat," vroeg Zwartemes nog eens, „heb ik gelijk of niet jongens?"
„Natuurlijk heeft Zwartemes gelijk," zei neef Hendrik doodernstig; „ik schrok me zelf een hoogen hoed, toen je dat daar straks zei van die mootjes en dat inpekelen, want dat is toch zeker de grootste beleedi-ging die je een Indiaan kunt aandoen."
166