kraan dicht en dat maakte een einde aan het kabaal.
Maar wat zagen de menschen eruit!
Het water liep hun bij straaltjes uit de kleeren.
״Ik moet zeggen, jelui bent me een mooi span voor een bokkenwagen," mopperde de man van de krant.
„Kan ik er wat aan doen," zei Edo, „die straal sprong opeens uit mijn handen. Ik ben zelf ook klits klats kledderenat geworden."
„Is er hier niet ergens een drooglijntje?" vroeg Max, „dan gaan we er met z'n allen over hangen in het zonnetje."
De brandweerdemonstratie was eigenlijk wel een beetje bedorven door alles wat gebeurd was.
„Uitscheiden!" riep de directeur, „de boel is in het water gevallen."
Zwartemes kwam aanwandelen. De jongens vertelden hem wat er was gebeurd.
Samen liepen ze nu naar den wagen van den klee-dingmeester, die 's morgens hun kleeren in ontvangst had genomen in ruil voor de kleeren, die ze in den optocht hadden gedragen en die nu kletsnat waren geworden.
„Ook een bof," zei neef Hendrik, „ook een bof, dat het onze eigen kleeren niet zijn. Die zijn nu lekker droog."
Tien minuten later stonden de jongens, gewoon gekleed, weer op het weiland.
„Wat zullen we nu gaan doen?" vroeg Max.
„Willen we een spelletje spelen?" vroegen de anderen.
„Ik doe niet mee," zei Zwartemes, die op de jongens gewacht had.
„Waarom niet?"
„Dat weten jelui wel!"
„Wij... wij weten van niks!"
„Karei, weet jij het ook niet?" vroeg Zwartemes ernstig, maar het was net of er in de hoekjes van zijn oogen allemaal kleine rimpeltjes kwamen.
165