net zoo lang spuiten totdat het brandje uit is. Ik zou daar niet veel aardigheid in hebben."
„Wil je het misschien zelf eens probeeren?" vroeg een van de brandweerlieden, die dat hoorde.
„Zelf spuiten?" vroeg Edo.
„Zeker," zei de man en hij gaf Edo de zware straal-pijp in de hand en daar ging het hoor.
Edo werkte met de straalpijp alsof hij het zijn leven lang gedaan had. Hij mikte den straal water pardoes op de brandende plekken en dat ging wat fijn.
Uit de groepen menschen, die er om heen stonden, kwam een jonge man naar voren met een stuk papier in de hand en een potlood.
„Mag ik u eens wat vragen?" vroeg hij.
„Zeker," zei Edo.
„U hoorde toch bij het troepje vrienden, waarvan vanmiddag die jongen dat ongeluk heeft gekregen, nietwaar."
„Ja," zei Edo, „wat zou dat?"
„Nou, wilt u mij daar dan wat meer van vertellen?"
„Waarom?"
„Voor de krant...!"
„O," zei Edo verrast en onwillekeurig maakte hij een beweging met zijn handen, maar daardoor sloeg de straalpijp opeens naar boven en, voor de menschen goed bemerkt hadden wat er gebeurde, was de man van de krant kletsnat gespoten.
Een stuk of wat menschen sprongen naar voren om de straalpijp vast te grijpen, maar een van de mannen struikelde over de slang en over hem heen vielen vele anderen.
Dat was een tumult.
De menschen rolden over den grond en midden tusschen hen spoot de straalpijp zijn water. In een oogwenk waren alle menschen drijfnat. Toen draaide een van de brandweermannen op den wagen de
164