I
zal vertellen. Jakkie, ik vind het niks leuk, dat ik een blanke ben. Ik wou, dat ik een echte Indiaan was."
,,Dan zul je je een ander velletje moeten laten aanmeten," zei neef Hendrik en toen lachten ze allemaal weer.
Een tijdje lang nog zaten de jongens bij de twee Indianen om het vuur.
Toen kwam er een boodschap van den directeur.
Het was een papiertje, waarop geschreven stond:
„Over tien minuten gaat de brandweer van het circus oefenen. Wil jelui er bij zijn. De directeur."
Nou dat lieten de jongens zich geen tweemaal vragen. Ze vertelden Zwartemes wat er aan het handje was en die vertaalde het weer voor Witte Vleermuis en toen stapten de jongens op.
„Dag hoor!" zei Max, „we zien jelui nog wel."
„How!" zei Edo.
„De blanke man groet den rooden man," zei Karei gewichtig, maar Zwartemes schoot er van in een lach en gaf Karei voor de grap een schop tegen het weeke gedeelte van zijn rug, zoodat hij holderdebolder over het gras tuimelde.
Karei stond op en sloeg het stof van zijn kleeren. Toen ging hij, voor de grap, in de bokshouding tegenover den ouden Indiaan staan.
„Kom maar op als je durft," riep hij lachend.
Zwartemes riep terug:
„Moeten we de strijdbijl opgraven?"
„Ja!" riep Karei nog steeds lachend.
Maar Edo en Max en neef Hendrik wilden zoo lang niet wachten.
„Toe jö, schiet nou een beetje op met je flauwsies," riep Edo, „zoo meteen begint die geschiedenis met de brandweer en dan sta je hier nog te ginnegappen."
„Ginnegappen," zei Karei beleedigd, „ginnegap
162