uit de gordels of de revolvers en eiken avond daverden de wanden van onze vallei van de kreten om hulp en de ruwe woorden.
Als onze mannen niet bereid waren met de goudzoekers mee te gaan, vielen er klappen, want de blanken waren ruw en zij vochten spoedig.
En het werd hoe langer hoe slechter voor de roode mannen.
De blanke mannen gedroegen zich of het land van hun was en zij joegen de Indianen weg.
Wie van ons Indianen niet spoedig vertrok, kreeg van de blanken ransel. Er was niemand bij wien de Indianen recht konden zoeken, want niemand wilde ons aanhooren. Wij waren heelemaal overgeleverd aan de willekeur van de blanke overweldigers.
Bij de Indianen begonnen hoe langer hoe meer mannen te vragen: ,,Moet dat zoo nog langer duren?"
Zoo gebeurde het, dat mijn vader mij opnieuw bij zich riep en tegen mij zei:
„Ga weer naar alle stammen, die in dit land wonen en vraag alle opperhoofden of zij naar een nieuwe vergadering willen komen."
En opnieuw kwamen de mannen en nu spraken de opperhoofden heel anders dan den vorigen keer. Zij zeiden allemaal, dat mijn vader gelijk had gehad toen hij waarschuwde tegen de blanke mannen en zij vroegen hem wat er nu moest gebeuren!
Ik zie mijn vader nog zoo als hij daar stond op een grooten steen in het bosch, de grijze haren wapperend om zijn hoofd. Hij zei:
„Er is een tijd geweest, maar die is nu voorbij, toen konden wij probeeren in vrede te blijven leven met de blanken. Dat was voordat wij hun vertelden waar het goud te vinden was. Maar nu zij weten, dat er goud ligt in dit land, zullen wij nimmer meer in vrede kunnen leven. Steeds weer nieuwe blanken
159