vallei een groot meer, waarin die stroom uitliep. Maar op een goeden dag waren de booze geesten, die onder den grond huizen, kwaad geworden op elkander. Ze hadden met elkander gevochten en zoo hevig was de strijd geweest, dat tot ver in den omtrek de bodem was gescheurd. Toen was het groote meer in den grond weggezonken en de breede rivier was een klein stroompje geworden, maar het goud lag voor iedereen voor het grijpen.
De blanke mannen vielen als gekken op den grond en begonnen hun zakken en buizen vol te stoppen met het gele metaal.
Dat duurde zoo eenige minuten en wij Indianen, stonden er bij en lachten onbedaarlijk, want zooveel haast was immers heel niet noodig. Zij hadden immers wagens meegenomen en paarden en we hadden toch allen tijd.
Een week lang bleven we in de goudvallei, toen was alles zoo vol geladen, dat er geen muis meer bij kon en zoo trokken we terug!"
Witte Vleermuis knikte toen Zwartemes zoover gekomen was met zijn verhaal. Al verstond hij de woorden niet, toch begreep hij wel ongeveer welk deel van het verhaal verteld werd.
Zwartemes wachtte even en ging toen verder:
„De blanke mannen verlieten ons, maar het gebeurde precies zooals mijn vader, Vliegende Arend, had voorspeld. Al heel spoedig verspreidde zich door het land het verhaal van de goudmijn, die de Indianen den blanken mannen hadden gewezen en er kwamen hoe langer hoe meer blanken naar onze vallei.
Het scheen wel of elke nieuwe stroom blanken ruwer en wreeder werd.
De eerste blanken waren vriendelijke mannen geweest, maar wat er nu kwam kende wetten noch geboden. Zij trokken bij den minsten twist de messen
158