goud te vinden was, maar ik wilde zien hoe dit afliep, want eerlijk gezegd, dacht ik ook, dat mijn vader veel te somber was.
Wel drie dagen en drie nachten achter elkander trokken wij door de bergen en eindelijk zeiden de gidsen:
״Hier in de vallei ligt het goud voor het oprapen," en dat was zoo.
Het was een dal midden tusschen de bergen.
De natuur was nergens zoo woest als hier. Wie den weg naar dit oord niet wist, kon dagen lang in den omtrek dwalen zonder te weten hoe hij over de hooge bergen met die steile wanden moest komen.
Maar wij Indianen wisten het wel.
Heel ver weg aan den anderen kant van de bergen was een grot.
Het leek een hol dat den beer tot woonplaats diende, maar als je er binnen ging, dan zag je, dat de natuur hier een soort gang had gemaakt, die een heel stuk door den berg ging. Het was er donker en de mannen moesten takken in brand steken om te kunnen zien waar men den voet moest zetten. Als je een uur door de donkere gang had geloopen, stond je plotseling voor een riviertje, dat hier diep onder de aarde stroomde. Waar het vandaan kwam wist niemand en waar het eindigde ook niet. Maar wij Indianen wisten, dat het riviertje niet diep was en als je het maar stroomopwaarts volgde, dan konden de paarden er best in loopen en dan kwam je eindelijk, na heel veel tijd, aan den anderen kant van de onderaardsche gang.
Daar zag je dan de goudvallei voor je oogen liggen. De wanden waren geel van het vele goud, dat het gesteente er bevatte en tusschen de steenen op den bodem lagen de korrels goud, zoo groot als eieren. Hoe die daar kwamen? Oude Indianen vertelden, dat het riviertje uit de onderaardsche gang vroeger een machtige stroom was geweest en hier de goud-
157