Alle opperhoofden waren verheugd en zij keken een beetje medelijdend naar mijn vader, maar deze schudde zijn grijze hoofd en zei:
״Ik hoop, dat de blanke mannen hun woord niet zullen breken, maar ik geloof het niet."
Op een zonnigen dag kwamen de blanken in een lange rij met karren en wagens en trokken ons tentendorp binnen.
Het waren er wel duizend. Zij waren van heinde en verre gekomen op het gerucht, dat de Indianen een goudmijn zouden aanwijzen en dat iedereen zooveel goud kon meenemen als zijn paard kon dragen.
Het was opeens een geweldige drukte in onze vallei. Zooveel blanken hadden we nog nooit bij elkander gezien. En ze vertelden, dat er over de zee nog veel meer blanken woonden, wel zooveel als er korreltjes zand liggen aan het strand.
De Indianen wilden het in het eerst niet gelooven. Zooveel menschen als er zandkorreltjes zijn, dat bestond immers niet, maar de blanken zeiden, dat wij domooren waren en toen moesten we het wel gelooven.
's Avonds spraken onze Indiaansche mannen voor hun tenten over de vele blanke mannen, die er in de wereld zijn en ze begonnen een beetje angstig te worden, wanneer ze bedachten dat er misschien toch niet genoeg goud zou zijn om alle blanken tevreden te stellen en te doen terugkeeren naar hun eigen land.
Zoo kwam eindelijk de dag, dat de hoofdman der blanken zei: ״We vertrekken vandaag naar de goudvelden." De paarden werden gezadeld en allen kwamen bij elkaar op een groot grasveld.
Wel, toen ze allemaal in een grooten kring stonden, kwamen twee gidsen, Indianen natuurlijk, uit de tenten en die gingen hun vooruit. Ik reed ook mee, want ik wist wel waar de plaats was, waar het
156