mannen, die samen naar de wildernis waren getrokken om goud te zoeken en toen ze het gevonden hadden, zoo begeerig waren, dat ze met elkander gingen vechten om den buit. Alsof er niet genoeg was voor alle twee.
Het eerste wat elke blanke man vroeg was: ,,Weet je ergens een goudmijn?" en eerlijk gezegd hadden wij Indianen een beetje medelijden met de blanken, die zoo verzot waren op een metaal, dat nergens voor te gebruiken was. Als je het goed bedacht, waren alle blanken eigenlijk gekken.
Dat alles vertelde mijn vader en hij zei er bij, dat de blanken nooit zouden weggaan uit onze landen, ook al gaf men hun goud. Er zouden steeds weer nieuwe komen. Maar de andere opperhoofden wilden niet luisteren naar de woorden van mijn vader.
Zij lachten om zijn woorden en hoe hij ook sprak, zij zonden een drietal roode mannen naar het hoofd van de blanken en zeiden, dat zij met hem wilden spreken.
Het hoofd van de blanken kwam.
Hij was een groote man, die altijd vloekte en vreeselijk ruw was, maar de roode krijgers waren vriendelijk tegen hem en zeiden:
„Wij weten een plaats waar men het goud kan oprapen alsof het gewone steenen zijn."
„Waar is die plaats?" vroeg de blanke man.
„Wij zullen u er heen brengen," zeiden de roode mannen, „en u kunt net zoo veel goud meenemen als uw paarden kunnen dragen, maar wij stellen één voorwaarde."
„En die is," schreeuwde de blanke man.
„Onze voorwaarde is, dat uw krijgers zoo spoedig mogelijk het land van de Indianen verlaten."
„In orde," riep de blanke man, en hij riep al zijn mannen tezamen en vertelde hun van de afspraak.
De afgezanten kwamen terug in de vergadering van alle opperhoofden.
155