Witte Vleermuis noemde men mij en zoo zou ik voortaan heeten.
De vergadering duurde tot diep in den nacht. Er waren er, die alle stammen uit het Indianenland wilden oproepen tot een bloedigen oorlog tegen den blanken man. Anderen wilden de blanken zooveel goud geven als ze zelf wilden hebben, dan zouden ze vertrekken, want wij Indianen weten de geheime plaatsen, waar men het goud zoo maar kan oprapen. Maar mijn vader zei:
״Wanneer wij den blanken zooveel goud geven, dat zij vertrekken, zullen zij in hun land het goud aan de anderen laten zien en komen er steeds weer nieuwe, die allen begeerig zijn naar het goud en dan komen we pas goed in de ellende."
Maar de mannen wilden niet luisteren naar de woorden van mijn vader, die hen er tegen waarschuwde om den blanken mannen toch niet te vertellen waar het goud te vinden was.
Jelui moet niet vergeten, dat wij Indianen in die dagen eigenlijk heelemaal niet begrepen waarom de blanke mannen zoo graag goud wilden bezitten.
Er waren in ons land plaatsen waar je het gele metaal zoo maar voor het grijpen had.
Het was voor ons Indianen heelemaal niet zeldzaam en van de zeldzaamheid hangt immers de waarde af.
Wij hadden veel liever ijzer of koper, want ijzer was hard en je kon er stevige punten mee maken aan je speren en aan je pijlen.
En van het roode koper kon je mooie armbanden maken. Maar goud... dat weeke gele metaal, dat niet hard werd ook al liet je het dagen lang in het vuur liggen, neen goud was bij ons heelemaal niet in tel.
Maar de blanke mannen waren er verzot op! Alle Indianen kenden het verhaal van de twee blanke
154