stapte hij naar den aanvoerder der blanken en vroeg hem te spreken. Wat ze precies hebben gesproken weet ik niet, maar ik herinner mij heel goed, dat daarna alle mannen van onzen stam bij elkander werden geroepen en vader ernstige woorden sprak.
״De blanken hebben gezegd," zoo sprak hij, ״dat zij de vallei in bezit hebben genomen en dat wij, de Indianen, geen recht hebben op den grond en niet op de vogels in de lucht en de visschen in het water. De blanken hebben gezegd, dat de Indianen maar moeten verder trekken als de vallei niet voldoende voedsel geeft."
Zoo sprak mijn vader en daarna spraken de mannen van onzen stam.
Op dien avond kreeg ik mijn eerste werk als lid van onzen stam te doen. Mijn vader zeide mij, dat ik naar alle Indianenstammen in den omtrek moest gaan en de opperhoofden uitnoodigen tot een belangrijke vergadering boven op den hoogen berg, die altijd met sneeuw was bedekt. Daar wilde mijn vader met de hoofden van alle Indianenstammen, die wij kenden, spreken over de blanken, die onze vallei in bezit hadden genomen.
Ik reisde vele maanden achtereen. Ik bezocht alle stammen in den omtrek, wel veertig in getal en overal hoorde ik dezelfde klachten. Overal hadden de blanken den grond genomen en overal hadden de Indianen geen eten meer. Allen wilden graag de vergadering van de opperhoofden van alle stammen bijwonen, maar er waren er ook, die zeiden: ״We komen wel, maar wat geeft het... de blanke is toch sterker dan wij."
Op een avond, toen de volle maan scheen, was de vergadering boven op den berg in een dicht bosch, waar de sneeuw op den grond lag. Dien avond kreeg ik mijn nieuwen naam, dien ik nu draag, omdat ik de bode was geweest, die alle stammen had afgereisd.
153