Maar de anderen trokken verder, steeds maar weer verder naar het Westen.
Mijn vader, het groote opperhoofd Vliegende Arend, was een wijs man en hij riep op een avond alle mannen van den stam bij elkander en zei:
,,De bleekgezichten zullen ook naar deze vallei komen en ik vraag u, roode mannen, wat zullen wij doen als zij hier willen gaan wonen?"
De mannen van onzen stam spraken. De een wilde de blanken terug jagen met pijl en boog, de ander wilde vluchten en een andere plaats om te wonen zoeken, maar mijn vader was een vreedzaam en verstandig man en sprak:
,,De vallei waar wij wonen is groot genoeg. Als de blanken hier willen wonen, kunnen zij komen."
En zoo bleef het.
Wel, het duurde niet lang of de blanken kwamen. Het heele dorp liep uit om die vreemde mannen te zien, die een huid hadden, zoo wit als van vogels met allemaal roode pukkels er op en met haren eraan die ze baarden noemden.
Mijn vader was hen tegemoet gegaan en had met hen gesproken, want een van de blanken verstond de taal van onzen stam.
De blanken namen onze vallei in bezit en zochten de beste plekjes uit. Daar bouwden ze huizen en om die huizen bouwden ze sterke muren, want de Indianen van onzen stam waren wel erg vreedzaam, zeiden ze, maar wij telden wel drieduizend stevige mannen en zij waren maar met veertig.
Het duurde niet lang of er kwamen meer blanken.
Wat nog nooit gebeurd was, gebeurde nu. Onze jagers kwamen met leege handen thuis, want nu er zooveel menschen in het dal woonden, werden ook meer vogels geschoten en meer visch gevangen. Mijn vader keek eiken dag bezorgder en op een avond
152