rivier woonden. Maar dat er ook nog andere menschen waren, menschen, die blanke gezichten hadden en een blanke huid, dat wisten we niet. Tja, tja, ik ben nu al een oude man en de tijd, waarvan ik nu spreek, is wel tachtig jaar geleden.
Maar op een keer kwam een bode van een van de stammen in de buurt bij ons en hij vertelde een wonderlijk verhaal, dat hij weer gehoord had van een anderen stam en die hadden het weer van een ander. Het verhaal was door het heele land gegaan en iedereen had het aan een ander verteld en zoo was het eindelijk bij ons terecht gekomen. Er was een groot huis gekomen, zoo vertelde dat verhaal, en dat huis dreef op het water. Het was een groote kano eigenlijk, maar veel grooter dan honderd kano's bij elkander en dat groote drijvende huis zat vol met vreemde mannen, die witte gezichten hadden en witte handen. Ze kwamen van ver over zee, ging het verhaal verder en ze waren naar het land van de Roode Mannen, dat waren wij, de Indianen, gekomen om goed te ruilen voor mooie kralen. Het verhaal vertelde, dat ze lange stokken bij zich droegen en als ze die tegen hun schouders legden, dan ging het onweeren en dan vielen de vogels zoo maar dood uit de lucht. Het was een vreemd en gek verhaal en niemand van onzen stam, die het eigenlijk wilde gelooven. We lachten er zoo een beetje om en we vonden, dat de man, die het overbracht, wel aardig sprookjes kon vertellen.
Maar na een paar maanden kwam een ander weer met hetzelfde verhaal en nu vertelde hij er bij, dat hij de witte mannen zelf had gezien. Ze trokken met wel honderd groote wagens door het land naar het Westen en ze hadden hun vrouwen en kinderen meegenomen. Af en toe, zoo vertelde dat nieuwe verhaal, bleven er een paar achter, die hadden dan een mooie en vruchtbare streek ontdekt en daar bleven ze wonen.
151