״Maar de groote Manitou kan zich ook vergissen," zei Edo bedenkelijk.
Max keek minachtend naar zijn broertje en zei schamper:
״Mijn roode broeder Edo heeft het hart van een squaw, zijn stem is die van een jakhals en zijn moed die van een schaap..."
Dat liet Edo zich niet zeggen:
״Zeg ben je heelemaal besuikerd," riep hij nijdig, ״je moet mij niet uitschelden... ik heb geen stem van een jakhals... en ook niet den moed van een schaap..."
״Mijn broeder is bang," ging Max voort, hij is bang, zooals de zonen van een jakhals altijd zijn..."
Maar nu gleed een glimlach over het gezicht van Edo.
״Zoon van een jakhals," riep hij lachend uit, ״nou heb ik je... nou ben je d'r gloeiend bij... want als ik de zoon van een jakhals ben, dan ben jij er ook eentje... je bent toch immers mijn broertje."
״Die zit!" zei Karei.
״Dat komt," zei neef Hendrik, ״dat komt er van als jongetjes Indiaansch doen."
״Jongetjes," protesteerden ze nu alle drie, ״jongetjes, over een paar weken zijn we allemaal echt lid van een Indianenstam en dan wil ik wel eens zien wie ons nog voor jongetjes durft uitschelden."
״How!" zei neef Hendrik.
Zoo pratend en kibbelend waren zij bij de wagens van de Indianen gekomen.
Het waren vier wagens, die in een kring waren gezet. Op de open ruimte in het midden brandde een vuurtje. Een groote koperen ketel hing aan een haak in de vlammen.
״Mate!" zei Witte Vleermuis.
״Wat zegt-ie," vroeg neef Hendrik aan Zwartemes.
״Mate," zei de oude Indiaan, ״dat is een soort
149