Na een poosje kwam de auto van den directeur terug met den vader en de moeder van Willem. Die gingen direct naar het ziekenhuis en toen ze terug kwamen, stonden hun gezichten minder droevig dan toen ze er heen gingen.
״Er is een beroemde professor bij," vertelden ze, ״en die zegt, dat Willem vast en zeker weer beter wordt."
״Dat is de professor, die Witte Vleermuis gestuurd heeft" zei neef Hendrik.
״Ja," zei de vader van Willem, ״de dokter zei ook, dat er een boodschap was gekomen, dat de knapste professor moest worden gehaald om Willem beter te maken. De Indianen zouden alles betalen."
״Blijft u vanavond hier," vroeg de directeur van het circus, ״of gaat u weer naar uw huis terug. Mijn auto staat tot uw beschikking en die zal u morgenochtend ook van huis halen."
״En de jongens zijn vanavond mijn gasten," zei het opperhoofd, ״zij zijn de vrienden van den stam geworden... als Willem beter is zullen we hun plechtige opname in onzen stam vieren met een groot feest... Vanavond zijn zij onze gasten!"
En trotsch als pauwen stapten Karei en Max en Edo met neef Hendrik achter Witte Vleermuis aan. Tjonge, tjonge wat voelden zij zich groot. Als Willem beter werd, zouden ze lid worden van een Indianenstam en voortaan zouden ze de vier Indiaansche jongens uit hun klas zijn.
Edo zuchtte:
״Als Willem nou maar beter wordt!"
״Wat zucht mijn roode broeder," zei Max, die zich voorgenomen had om voortaan niet anders dan op de Indiaansche manier te spreken, ״wat zucht mijn roode broeder alsof hem een steen op het hart gevallen is. De groote Manitou heeft gezegd, dat Willem beter wordt."
148