pleegsters om hem heen. De directeur van het circus, de jongens, neef Hendrik en een paar menschen van de kranten wachtten beneden in de wachtkamer van het ziekenhuis.
De gezichten van de jongens en van neef Hendrik stonden strak. Zij hadden roode oogen van het huilen en dat was geen wonder, want toen ze Willem hadden zien wegdragen op de brancard, die uit de ziekenauto was gekomen, hadden ze allemaal gedacht, dat hun vriendje dood was.
Maar de dokter had hen gauw getroost.
״Nee, dood is hij nog lang niet hoor... zoo gauw gaat dat niet, maar hij heeft wel een stevigen klap gehad van de straatsteenen, pardoes tegen zijn achterhoofd. Enfin, we zullen nu maar eerst eens zien, dat hij weer bij zijn bewustzijn komt."
Daarop wachtten de jongens nu.
De directeur van het circus zei:
״Hij is een stevige knaap, die vriend van jelui... Hij zal het wel halen... en het mooiste is, dat hij dat ongeluk heeft gekregen om een ander te redden. Ik heb precies gezien hoe het ging. Als hij dat wilde paard van zijn buurman niet bij de teugels had gegrepen, had Witte Vleermuis een schop van het beest gekregen en zoo'n oude man zou er vast en zeker aan gestorven zijn."
Neef Hendrik zei:
״En Loebas heeft het hollende paard tegengehouden. Stel je voor, dat het was doorgehold. Geen honderd meter verder waren de spoorboomen en die waren juist gesloten. Willem had wel onder den trein kunnen komen."
De directeur keek eens naar neef Henderik en zei:
״Loebas is een kraan van een hond, als hij er niet geweest was, zou het ongeluk veel erger geweest zijn."
Zoo praatten ze daar beneden in de wachtkamer
144