postkoets, zoo eentje, die hoog op de wielen staat en daarin zaten vier dwergen, verkleed als Chineezen, dan kwamen de negers, de bruine mensehen van Ceylon en nog veel meer. Ze liepen allemaal, vele honderden mensehen, in de bontste kleedij. En heele-maal achteraan kwamen de ruiters.
Zoo trok men door de stad. De mensehen langs den weg juichten van pleizier toen ze den feestelijken stoet weer zagen voorbijtrekken. Netjes in de rij liepen de paarden, waarop onze vrienden, Karei en Willem en Max en Edo en neef Hendrik zaten. Loebas, de hond, liep naast de paarden en je kon aan zijn snuit zien, dat hij met zijn hondenverstand dacht:
״Daar hoor ik ook bij!"
Opeens gebeurde er iets onverwachts. Juist, toen het voorste gedeelte van den stoet voorbij de jongens trok, die nog in het gelid langs den kant stonden, begon het paard, vlak naast dat van Willem, te steigeren. De oude Indiaan, Witte Vleermuis, het groote opperhoofd, dat heelemaal uit Amerika was gekomen om den gast te zijn van het circus Salto, sprong opzij, om niet geraakt te worden door de voorpooten van het schuwe beest, maar het hielp niet. Het paard draaide zich een halven slag om en begon met zijn achterpooten in de lucht te schoppen. De oude Indiaan zou vast en zeker door de hoeven worden getroffen. De mensehen begonnen te gillen. Het was een zenuwachtig gedoe en niemand wist precies wat er allemaal gebeurde.
Willem, die boven op zijn paard alles had gezien, bedacht zich geen oogenblik. Hij boog heel ver links over zijn paard heen en greep het steigerende beest van zijn buurman bij de teugels. Toen gaf hij een flinken ruk. Het beest schrok door dien onverwachten ruk en bleef stokstijf staan, maar nu gebeurde er iets veel ergers. Het paard van Willem, zenuwachtig
142