Indiaan, ze hebben dien knul verkleed en een beetje opgeschilderd."
Willem hoorde dat en hij riep omlaag van den rug van zijn paard:
„Je weet er geen spat van, malle brasem, die man daar is een echte Indiaan... Hij heet Zwartemes..."
De jongen keek omhoog naar Willem en zei:
„Zeker net zoo een echte Indiaan als jij een echte cowboy bent."
„En toch is het een echte Indiaan," zei Willem.
„Nietes!"
„Welles!"
„Nietes!"
„Welles."
Willem maakte zich kwaad en daardoor werd het paard onder hem een beetje onrustig. De jongen sprong verschrikt achteruit en Willem hoorde hem tegen zijn vriendje in den lantaarnpaal zeggen:
„Die kleine cowboy daar boven op dat paard, da's een kwaje hoor, die heeft zijn paard de sporen gegeven om mij bang te maken!"
Nu ging de heele stoet zich opstellen.
Dat was geen gemakkelijk werkje. De directeur draafde heen en weer en regelde alles. Voorop moesten natuurlijk de gasten loopen en in rijtuigen daarachter kwamen de burgemeester, de wethouders en de raadsleden. Daarachter kwam een auto met allemaal jonge heeren, die hooge hoeden op hun hoofden hadden en groote sigaren rookten! Op het voorruitje van de auto stond een papiertje geplakt en daarop was met zwarte letters gedrukt: PERS.
„Daar heb je die krantenlui weer," zei Karei.
„Die komen ook overal bij," mopperde Willem, „en wij mogen achteraan loopen."
En achter de auto met de pers kwamen de menschen uit het circus. Eerst kwam er een ouderwetsche
141