uit en jawel hoor, uit den trein stapten de Indianen in prachtige kleeding en de kruiers sjouwden met groote koffers.
De muziek begon te spelen. De politie drong de menschen wat achteruit. De burgemeester deed zenuwachtig, want die moest zoo meteen een redevoering gaan houden en dat is lang niet gemakkelijk. Iedereen was erg onder den indruk.
Nu kwamen de Indianen uit het station.
En alle menschen riepen uit volle borst:
״Hiep, hiep, hoera!"
Het was alsof er een rilling van pleizier ging door alle menschen, die voor het station stonden, toen de stoet van de twintig Indianen uit het gebouw op de straat kwam. Nu het was dan ook wel een feestelijk gezicht. Voorop liep natuurlijk Witte Vleermuis, het opperhoofd. Het was al een oud man, zijn haren waren wit als sneeuw. Hij droeg een rood fluweelen buis en daarover lagen allemaal gouddraden.
״Zou dat echt goud zijn?" vroeg Karei, boven op zijn paard, aan Willem, die vlak naast hem, ook op een paardenrug zat.
״'tuurlijk jö," zei Willem, ״die Indianen hebben het goud immers zoo maar voor het oprapen. Dat kan je in alle Indianenboeken lezen. Ze hebben daar in Amerika geheime goudmijnen. De blanken weten die niet, maar de Indianen, reken maar, dat die wel weten hoe ze er komen moeten!"
Achter het opperhoofd kwamen de andere Indianen, een paar mannen, een paar vrouwen en wat jongens. Statig liepen ze een stukje van de straat over en toen wenkte de directeur hen naar de microfoon. Daar gingen ze staan. De burgemeester met zijn ambtsketen om, de wethouders en de leden van den gemeenteraad kwamen daar ook staan.
״Nou gaan ze een redevoering houden," riep Max
139