Er kwam ook een groote auto met een luidspreker er op, want de Indianenhoofdman zou straks ook een toespraak houden en dat moesten alle menschen natuurlijk hooren. En verder waren er menschen van de radio, die met een raar stukje marmer heen en weer liepen.
״Dat is een microfoon," zei neef Hendrik, ״ze gaan dat allemaal uitzenden wat er hier gebeurt. Dan komt er een meneer voor dat blokje marmer staan en die vertelt alles wat hij ziet en dat hooren ze dan overal in de heele wereld."
״Overal?" vroeg Max, ״bij ons thuis ook?"
״'tuurlijk," zeiden de jongens.
״Gossie, wat zou ik dan graag eens mijn moeder goeiendag zeggen," zuchtte Max.
״De Sheik wil naar z'n mammie," spotte Karei.
״Daar hoef je heusch niet mee te spotten," zei neef Hendrik.
Bij het station kwam beweging in de menschen-massa.
״Zou de trein er al aankomen?"
Maar het was de burgemeester. Die droeg om zijn hals een grooten zwaren zilveren ketting en daaraan hing een soort gulden.
״Dat is de ambtsketen," zei neef Hendrik, ״zooiets dragen ze alleen maar bij heel zeldzame gelegenheden en die mannen, die daar bij hem loopen met die hooge hoeden en die zwarte jassen, dat zijn de wethouders en die anderen, dat zijn zeker de leden van den gemeenteraad. Tjonge tjonge, wat een deftigheid, en daar zijn wij zoo maar bij."
De jongens konden van hun hooge zitplaats precies op een stuk van het perron kijken. Daar kwamen de kruiers al aanloopen. De trein was in zicht. En na twee minuten rolde de trein het station binnen.
״Daar heb je ze!" riepen Max en Edo plotseling
138