״Goed dan," ging de directeur verder, „jelui moet dan weten, dat ik vanmorgen een telegram heb gekregen... Kijk daar ligt het en daar staat in, dat vandaag, vanmiddag om half één, hier aan het station zal aankomen een Indianenstam."
„Een Indianenstam?" zeiden de jongens ademloos.
„Nou ja, een Indianenstam... het zijn er maar twintig en ze komen regelrecht uit Amerika. Ze blijven een jaar bij mij in het circus en dan gaan ze weer terug. Het zijn eigenlijk maar drie huisgezinnen, maar er is een groot opperhoofd bij... Witte Vleermuis... en die loopt natuurlijk vanmiddag vooraan. We gaan ze namelijk afhalen van het station. Het heele circus... allemaal te paard natuurlijk. En de burgemeester komt aan het station en zal ze verwelkomen en dan gaan we in een optocht door de stad naar het circus terug... en als jelui nu zin hebt, dan zullen we vijf makke paarden uit den stal zoeken en daar gaan jelui met je neef boven op zitten en zoo rijd je mee in den feestelijken stoet... Afgesproken?"
„Natuurlijk!" riepen de jongens, „hiep, hiep hoera!"
De directeur drukte op een belletje.
De zwarte bediende verscheen weer.
„Roep den stalmeester," zei de directeur en even later kwam een groote, vriendelijk lachende man den woonwagen van den directeur binnen.
„Stephan," zei de directeur, „deze jongelui rijden vanmiddag mee in den optocht. En hun neef gaat ook mee. Neem je de heeren mee en zoek eens een paar aardige paar dj es voor ze uit, maar makke beesten hoor, geen springers!"
„Komt in orde baas," zei Stephan en daar gingen ze.
De paardenstal was een groote ruime tent.
Het rook er naar hooi.
In een lange, lange rij stonden de paarden. Meer
130