Hij lachte. Hij klopte Max op den schouder en zei: ״Maak je niet boos, vrindje, dat is niet goed voor je slanke lijn... je moet maar denken, dat jouw beurt ook wel eens komt... maar zooals je nu bent kan je vast en zeker voor een echten Indiaan, een roodhuid doorgaan."
„Ja," zei neef Hendrik, die er ook bij gekomen was, „nou is Max precies een roodhuid... Zie maar, dat je ergens wat vet opduikt Max, anders krijg je dien smeerboel niet van je gezicht."
De directeur keek de jongens eens peinzend aan.
„Over roodhuiden gesproken," zei hij, „ik geloof, dat ik voor de jongens een aardigheidje heb vandaag, dat hun best zal bevallen."
„Wat dan meneer?" vroegen de jongens, die aan het roode gezicht van Max al niet meer dachten, „wat dan meneer?"
Maar de directeur zei:
„Als jelui straks klaar bent met die wasscherij en je hebt gegeten, kom dan maar eens bij me in den wagen. Dan zullen we verder zien!"
TIENDE HOOFDSTUK.
Nog nooit hadden de jongens zoo snel hun ontbijt naar binnen gewerkt en even later stonden ze voor het schrijfbureau van den directeur.
„Kijk eens jongelui," zei deze, „ik vind je een aardig stelletje bij elkander en toen ik jelui daar zoo straks bij die pomp zag staan, toen zei ik tegen me zelf: ik moest die rare pisangs vandaag toch eens een pleiziertje doen. Voel jelui daar wat voor?"
„En of meneer," zei Max.
„Reken maar," zei Edo.
„Wel wis en warempel," zei Karei.
„Nogal glad!" zei Willem.
129
Met de Trekpot op avontuur. 9