״Max heeft een bietenneus," zei Willem en toen begonnen ze alle drie te lachen, maar dat mochten ze natuurlijk niet hardop doen, want anders zou Max wakker geworden zijn. Ze lachten dus in hun zakdoeken en het was precies of ze met hun drieën zaten te hinniken, zoo een gek geluid maakte dat.
Toen ze genoeg gelachen hadden, ging Edo verder met zijn schilderij. Op de eene wang van den slapenden Max zette hij allemaal streepjes.
״Wat is dat?" vroegen de jongens.
״Stil maar," zeide Edo, ״dat zul je zoo meteen wel zien..." en dat was zoo, want toen hij klaar was, stond daar met roode letters op de wang van Max geschreven: ״Hiep, hiep, hoera!"
En op de andere wang schreef Edo: ״Wie kijkt mij na?"
״Nou nog op zijn voorhoofd een vraagteeken!"
Het vraagteeken stond er spoedig.
De jongens gierden van het lachen in den wagen en heel voorzichtig deden ze een rondedans rondom den slapenden Max, waarbij Edo heel zachtjes zong:
Heb je niet den kleinen Max gezien? Kwam dat ventje hier voorbij misschien? Ik heb hem, moet je weten, In het gedrang vergeten!
Zeg hoor nou wat ik zeg... die kleine Max is weg.
Maar stil... Max bewoog en opeens waren de jongens doodbedaard. Max deed de oogen open, keek eens rond en zei:
״Ook goeie morgen!"
״Morge!" zeiden de jongens terug. Hun gezichten stonden doodgewoon, maar het kostte hun moeite om zoo gewoon te kijken, want zooals die Max er uit zag, was werkelijk tè gek. Maar Max wist natuurlijk
127