De stad, waarheen het circus Salto in den donkeren nacht was getrokken, lag aan een rivier. Midden in de stad was een groote wei, die glooiend afliep naar den waterkant. Daar had het circus een plaats gekregen. Het was een ruime wei, de koeien waren voor een paar dagen naar een ander weiland gebracht. Om het land was een groot hek gezet en nu stonden de wagens van het circus langs het hek op een rij. Midden in de wei stond de groote tent al klaar en iedereen was druk in de weer om alles verder in gereedheid te brengen, want vanavond zou het circus weer spelen.
De directeur had wagen 156 een eindje buiten het gewoel laten plaatsen. Want in dien wagen sliepen onze jonge vrienden Max en Edo en Karei en Willem nog.
De zon stond al hoog aan den hemel. De klok op den toren wees half elf en nog altijd lagen de jongens in de auto en sliepen.
Maar toen het tegen kwart voor elf liep, kwam er wat beweging in den wagen. Karei draaide zich, nog half in den slaap, een halven slag om en rolde tegen Willem aan. Die werd wakker en keek slaapdronken rond om te zien wie hem daar zoo onverwacht stoorde. Hij zag Karei, die intusschen heelemaal wakker geworden was. Aan den anderen kant van den wagen lagen Edo en Max, maar die sliepen nog.
״Pssssst," deed Karei tegen Willem.
„Wat is er," fluisterde deze heel zachtjes.
„Die twee mafdoozen daar slapen nog!"
„Nou... wat zou dat?"
„Zullen we die twee eens een poets lappen?"
„Goed... maar wat dan?"
Karei ging zitten denken. Willem zat er bij en dacht ook na. Hoe zouden ze Edo en Max, die daar zoo rustig lagen te slapen, eens lekkertjes kunnen plagen?
125