״Natuurlijk," zeiden de jongens, „en hoe is het afgeloopen?"
„Het is niet afgeloopen," zei Thomas, „want het is nooit begonnen... Toen de baas na de voorstelling het boertje wilde opzoeken, was het mannetje verdwenen en lag er een briefje van hem. In dat briefje stond: „Ik heb me bedacht... varkens hooren op den mesthoop, niet in een circus... ook al zijn het nog zulke geleerden," en daarmee was het uit.
„En heb jelui er nooit meer wat van gehoord?" vroeg neef Hendrik en je kon aan zijn gezicht zien, dat hij van het heele verhaal niks geloofde.
„Nooit meer," zei Thomas, „en wat we ook deden, we konden maar niet te weten komen, waar dat boertje woonde."
Intusschen ratelden de wagens over de hobbelige wegen. De boomen schoven voorbij in het licht van de schijnwerpers. Ze waren nu al drie uur onderweg. Het was wel erg romantisch, maar de jongens begonnen toch duchtig slaap te krijgen.
Thomas merkte het.
„Als jelui een dutje wilt doen," zei hij, „geneer je dan maar niet Jeanetje... in den wagen liggen dekens en je vindt nog wel ergens een zachte plank om er op te liggen. Als jelui wakker wordt zijn we in de vreemde stad."
De jongens vonden de dekens en al spoedig lagen ze in den schommelenden wagen. Neef Hendrik bleef bij Thomas voorin zitten praten. Edo was het langste wakker van allemaal. Hij hoorde Thomas nog vertellen, dat hij wel eens in drie dagen niet had kunnen slapen, omdat het zoo druk was in het circus... toen dommelde ook Edo in...
124