dus ik ben een Rus... Maar na den oorlog is Polen een gewoon land geworden en dus zou ik nu Pool moeten zijn, maar dat kan weer niet, omdat ik soldaat ben geweest en tegen Polen gevochten heb... dat lijkt gek, maar toen ik tegen Polen vocht... toen was Polen er nog niet... maar waren er menschen, die Polen van Rusland wilden afhalen en ik zat nu toevallig aan den verkeerden kant..."
De jongens keken elkander aan; ze begrepen er niks van.
„Gooi het maar zoolang in mijn hoedje," zei Karei, „dan zal ik het wel uitzoeken als ik niet zoo'n slaap heb."
Thomas praatte door:
„En dus heb ik nou geen enkel land en scharrel maar zoo'n beetje door de wereld... Ik ben niet altijd in het circus geweest, gossie nee hoor... voor den oorlog had ik een aardig boerderijtje en daar liepen koeien en een heele troep kippen rond, maar dat is nou allemaal weg... en laat ik jelui maar niet vertellen wat ik zoo allemaal heb meegemaakt, want daar zijn jelui nog allemaal veel te kleine jongens voor."
De jongens protesteerden: „Kleine jongens... welja, kleine jongens, kan je net denken... we zijn toch zeker al groot genoeg..."
„Dat kan best wezen," zei Thomas, „maar dat zullen we toch maar bewaren voor een anderen keer. Jelui denkt geloof ik, dat het voor mij zoo'n pretje is om van den oorlog te vertellen. Nee hoor, als je dat niet zelf hebt meegemaakt, weet je niet half hoe verschrikkelijk dat is. Dat heeft nou letterlijk niets te maken met moed of met dapperheid... dat is het ergste wat een mensch kan overkomen... maar jongens, ik heb gezegd, dat ik er niet over spreken zou... en dus doe ik dat niet."
Edo zuchtte.
121