VIJFDE HOOFDSTUK
Litteratuur is hopeloos uit den tijd. Trouwens het tooneel ook. Van de trekschuit wil iedereen het erkennen; verder is er niets veranderd. Aan eiken voet van den tijd willen ze honderd kilo lood hangen, anders leven we te snel.
Sinds Tuschinski den droom der menschen gestalte wist te geven, roteert de wereld toch maar lekker in een andere snelheid door de ruimte. De menschen denken niet meer in brieven, ze denken niet eens meer in woorden, ze denken in beelden: de schrijver heeft het verloren van den fotograaf.
We zien Jacobus Fredericus de Brie in zijn zolderkamertje liggen ronken, de stakker is toch immers doodmoe van emotie en spanning. En dwars over dit beeld zien we geprojecteerd de persconferentie bij Frans Hokkert.
Het leven is geen film, neen, de film is het léven!
Op den achtergrond van het geblaaskaak der journalisten in Hokkert's kamer zaagt het gesnurk van Jacobus Fredericus de Brie. Het beeld ver־ vloeit, maar het gesnurk is gebleven. Is gebleven, wanneer de eerste zinnen van de artikelen over den moord in de Helmersstraat op het copiepapier verschijnen.
Gesnurk!
86