den urenlang met den portier over ditjes en datjes, over zijn hond; over het gebukkelde achterwiel van zijn fiets; over zijn vrouw, die weer eens op d'r laatste beenen liep en over nog veel meer — alles in de hoop, dat de stomme vlerk een nieuwtje wist of in de toekomst misschien eens voor een nieuwtje zou kunnen zorgen. Was er inderdaad iets aan de hand, dan renden ze in razenden ren om het eerst aan den eindstreep te zijn. En liepen de politie tusschen de beenen.
״Dat is uit voortaan!" zei de nieuwe Hoofd־ commissaris.
Als er tegenwoordig een moord gebeurt of een inbraak wordt gepleegd, dan gaan er, net zooals vandaag, telefoontjes naar de kranten. ״Half elf persconferentie!" ״Mijne Heeren", zegt daar Frans Hokkert, ״mijne heeren, allereerst een droge opsomming van de feiten. Noteert U maar niet, we hebben de heele zaak voor U uitgetikt."
״Vannacht om kwart over een is het Hoofd־־ bureau van politie opgebeld door een man, die zich niet bekend wenschte te maken. Hij sprak, aldus luidt de verklaring van den portier־telefonist en ook van den inspecteur, die den man te woord stond, hij sprak met een zeer sterk merkbaar Amsterdamsch accent. Ik heb voor U laten no־ teeren wat de man zei. Hier staat het: ״De politie
79