je kunt het wel, maar het lukt je op den langen duur toch niet.
״Spijt me heel erg", zegt de baas, ״maar dan zal ik het onderzoek uit jouw handen moeten nemen____"
Dat is de genadeslag. Het Hoofdbureau heeft zijn geloof in Frans Hokkert verloren.
„En wie wordt dan met het onderzoek belast?" vraagt hij. Is dat timide mannetje Frans Hokkert, de geweldenaar?
„Weet ik nog niet", zegt de baas, „dat merk
je tegen dien tijd wel____ Kalenberg of zoo____
tenminste als er nog wat te redden valt. Jij hebt veel kostbaren tijd verprutst en verknoeid."
De bastonnade is begonnen; elke slag is raak.
„Jij hebt declaraties ingediend om ervan te
rillen____je hebt in aanwezigheid van het parket
daar in Zwijndrecht gekrukt als een school־ jongen.... en niets, niets, niets is er uit je vingers gekomen."
Toe maar! Sla d'r maar op! Frans ligt nu toch eenmaal op den grond. Verweren kan hij zich niet meer.
„Jij hebt de krankzinnigste kunsten uitgehaald met microfoons en weet ik veel met wat nog
meer____Kalenberg heeft me dat gerapporteerd..
en waarom?"
Ja, waarom eigenlijk; die schlemiehl van een
13*
197