gerangeerd. Op dood spoor gezet. Twee gerucht־ makende moorden heb jij verpoedeld. Zoo iets wreekt zich. De nimbus verbleekt.
Als Frans twee collega's met elkander ziet praten, loopt hij den anderen kant uit. Maar die merken dat natuurlijk. Zij pesten hem ermee, niet weinig.
״Ha, die Hokkert---- Wanneer kunnen we je
feliciteeren?"
״Barst!" denkt Frans dan, maar hij geeft zijn gezicht den ouden trek van ״Dat zal ik wel weer eens eventjes fijn opknappen." Kouwe beenen! Zelf ondergaat hij de suggestie niet meer, hoe zouden anderen dat dan kunnen?
Het applaus is verstorven. De schmink is van zijn gezicht versmolten. Hij blijkt een mensch te zijn met gebreken. Juffrouw Melchers heeft opeens alle belangstelling voor hem verloren. Dit is de gemeenste mep, die Frans treffen kon. Juffrouw Melchers, dat is immers de publieke opinie, de nieuwsgierige middelmatigheid. Zijn rol is uit־ gespeeld. Zelfs de tooneelknecht kijkt niet meer naar hem om.
״Als je nu maar een begin van een spoor had", zegt de baas.
Die heeft ook makkelijk praten. Als er niets is, kun je toch ook niet gaan fantaseeren. Of liever:
196