Jacobus Fredericus de Brie____ hoe kon hij dien
idioot ooit verdenken?
״Frans Hokkert.... jij bent een sukkel____het
eenige wat je ons verwijten kunt is, dat wij jou zoo lang ernstig hebben genomen."
Frans Hokkert haalt diep adem. Hij geeft zich niet over. Hij zal vechten op zijn laatste reserve.
״Kalenberg", steunt hij, ״Kalenberg zal die moorden net zoo min oplossen als ik.... Dat is immers een misdaad zonder fouten. Wie ook die zaak in handen krijgt, zal er op blijven bijten, maar dóórkrijgen.... nooit! De misdaad is ons de baas gebleven,.... laten we het maar ronduit zeggen.... maar dat mag niet erkend worden, hé? Wanneer de wrekende arm der gerechtigheid verlamd is, gaat de wereld immers naar den bliksem. Wij moeten het stiekum houden; ze mogen buiten niet weten, dat de Heilige Herman־ dad gefaald heeft. Stel je voor, dat de menschen tot het benul komen: je kunt twee moorden be־ gaan, zonder dat ze je snappen. Dat zou grooter
catastrofe zijn dan een koersdaling____en daarom
moet ik maar voor de honden gegooid worden. Frans Hokkert gaat de woestijn in. Hij is een stommeling en een ezel.... hij heeft geld uit־ gegeven en niets bereikt. Hij heeft geknoeid met microfoontjes en heeft opgeschept.... Frans Hokkert is dezen keer de sigaar geworden....
198