TWAALFDE HOOFDSTUK.
Frans Hokkert wankelt op zijn sokkel. Hij twijfelt aan zijn eigen voortreffelijkheid. Hij en: zijn baas. De collega's merken het; die plagen hem er geniepig mee. De baas kan het hem ronduit zeggen.
״Je bent een opsnijer, Hokkert____ Meer dan
veertien dagen vertel je ons nu al, dat je dat zaakje daar in Zwijndrecht en het gevalletje in de Helmersstraat haarfijn uit de doeken zult doen."
Frans zwijgt.
Hij probeert een zelfbewust gezicht te trekken, maar hij voelt, dat het niet lukken wil.
Je moet oppassen, Frans, dat deze affaire jou niet den nek breekt. Mannetjes als jij kunnen geen tegenslagen verdragen. Zij hebben applaus noodig en schmink! Lang heeft het publiek jou toegejuicht, Frans, maar nu is de kans gekeerd. En de collega's hebben al־z'n־leven de pest aan jou gehad. Die konden je den eersten den besten dag al doodkijken. Die zullen nu om jou lachen!
Wat zullen ze met jou beginnen, Frans?
Ja, je zult wel bij den straatdienst belanden. Dat werkje bij die werkloozendemonstratie was hors d'oeuvre. Straks komt de rest. De baas duwt, de collega's duwen; jij wordt uit den trein
195