werkloozenoptocht in de gaten te houden, dat is toch werkelijk bij de beesten af.
Hij sjouwt met den duvel in naar het stempel־ lokaal, waar de kerels zich zullen opstellen. Ziet hij daar warempel dien De Brie bij dat zoodje krapul staan, De Brie, dien sukkel van het zolder־ kamertje in de Helmersstraat, dien krankjoreme stommeling. Dat die vlerk hem nu weer in den weg moet komen. Waar die zijn voeten gezet heeft, groeit geen gras meer. Die sukkel heeft hem het heele onderzoek bedorven, de ongeluksbode. Over hem heeft hij de beenen gebroken.
״Jonge man", zegt hij barsch tot De Brie, ״neem
van mij een verstandige raad aan____en donder
zoo gauw mogelijk hier vandaan!"
En de rug van Jacobus Fredericus de Brie, den woedenden stempelaar, kromt zich gewillig. Dat is nu de macht van menschen als Frans Hokkert. Ze slaan zoo maar al je voornemens aan flenters. Zij vloeken tegen je en vergeten ben je opeens den portier van ״Imperial", dien je een mes in zijn strot wou steken, neen, dien je een mes in de keel stak! Van je afgegleden is de moordende lust om te krabben en te bijten____
Jacobus Fredericus de Brie slaat de oogen neer.
En gaat.
Laat de kerels van het stempellokaal in den
190