steek. Sjokt weer door de stad. Naar de Vijzel־ straat!
De werkloozen, vier, vijf honderd, vullen de straat met rumoer en geschreeuw. Ze trekken door de Utrechtsche straat naar het Rembrandt־ plein. Daar staat de politie opgesteld. Een kwa־ jongen smijt een grooten klinker naar den kop van een paard. Sabels vangen het zonlicht op, spelen er mee. Er wordt gestompt en geslagen. Een paar mannen krijgen een mep met een gummistok. Vallen op het asphalt.
״We verdommen het langer, bloedhonden!" gillen de stempelaars. Dan vluchten ze, een orde? looze troep, voor de sabels.
Jacobus Fredericus is een uur eerder op den loop gegaan; voor de stem van Hokkert. Tegen zes uur komt hij bij moeke thuis. Hij is moe! Doodmoe! Alles aan hem, in hem, van hem, is kapot.
Hij is vanavond voor het eerst in langen tijd weer tevreden met het eten. Hij moppert niet, dat zijn bed hem niet bevalt. Ziet zelfs niets van de gerafelde cocosmat.
״Die vent, dat is een schlemiehl", heeft Hokkert gezegd.
Zoo is het: Jacobus Fredericus, de schlemiehl, is te beroerd voor een heldenrol____
191