hebben ons eerst gebruikt en toen op een hoop gesmakt. We vreten genadebrood! We loopen in straten, waarop we geen recht hebben, die niet van ons zijn, waar we geduld worden!"
„En nou willen die krengen ons nog meer de goot intrappen", zegt een ander, „d'r gaat zoo meteen weer een riks van den steun af!"
Jacobus Fredericus de Brie voelt zijn kracht zwellen, zijn wanhopige kracht.
„Als ze verdomme van mijn steun een dubbeltje afhouden, flikker ik ze de heele rotzooi in het
gezicht. Geen cent minder neem ik____ dan ga
ik net zoo lief jatten!"
De dreigende vermindering van den steun hangt boven hun hoofden; het is de dood zelf!
„We verdommen het langer!"
De kreet groeit.
Vanmiddag zullen ze gaan demonstreeren. Zullen ze dat vullis eens laten zien, dat zij het langer verdómmen! Als je toch moet verrekken, dan moet het maar meteen.
Behandel de dieren met zachtheid, pest de stempelaars, dat is tegenwoordig het elfde gebod. Maar zij laten zich niet langer in een hoek drukken. Zij zullen hun narigheid vanmiddag uitschreeuwen. Midden in de stad; in de Kalver־ straat, voor de Groote Club, op den Dam!
188