zelvige, gaat nu praten met zijn mede־stempelaars. Scheldt met hen op de rotzooi, waarin zij allen dreigen te verzinken. Kankert mee, omdat de kachel in het stempellokaal niet warm genoeg is. Zwetst met de anderen; over die stinkkerels van de vakbonden, die in hun warme kamers zitten en luilakken, hij, die altijd, altijd, in de zwartste narig־ heid de meneer is gebleven.
Wat ga je nou doen, Jacobus Fredericus? Ga je communist worden of fascist?
Ach wel nee, Jacobus Fredericus heeft alleen maar den duvel in. Aan opstandigheid is hij nog niet toe. Hij heeft door het keldervenster bij Dikker en Thijs in de keuken mogen kijken, boven zitten de gasten en vreten; die willen hem niet aan tafel hebben. Nu jaagt de honger hem op; de honger en de onrust
Er is groote onrust onder de lui, die stempelen. De krant heeft met daverende letters de schrik־ kelijke tijding het land in geslingerd, dat de regeering den steun voor de werkloozen wil gaan verlagen. Het moet, heeft de regeering gezegd. Als zij niet willen krepeeren, gaat het heele land op de flesch. De werkloozen leven niet op een eiland. Zij kunnen zich niet buiten de maatschappij plaat־ sen. De crisis heeft het heele volk besprongen.
186