ze politiek. ״Het loopt op zijn eind met ons land; de loonen zijn veel te hoog. Het mes moet er in!"
Het mes moet erin, het gaat erin!
Monsieur Marcel en Herr Gutsberg zitten aan de schakelkast. Machtige mannen gehoorzamen hen: doctor Johan en vele anderen. Er strijkt een koortsige angst over het land. Hoe zal dit alles eindigen?
Jacobus Fredericus de Brie is uit de koers geslagen. Hij is verfomfaaid. Hij weet geen richting meer en kent geen stuur. Zijn leven is weer als vroeger: zonder doel. Kribbig is hij geworden. Moeke־van־beneden weet niet meer, wat ze tegen־־ woordig aan hem heeft. De goeie, beste, brave knul is de laatste dagen zoo veranderd. Hij mop־ pert op alles; heeft aanmerkingen op het eten, op het eten nota bene! Zanikt, dat zijn bed niet goed is en dat de cocosmat rafelt. Ja, zoo'n niksnutter heeft warempel ook nog praatjes; zoo'n genade־ brood־eter. Of ze geen commensaals bij de vleet kan krijgen; en wat een fatsoenlijke!
Jacobus Fredericus schaamt zich voor zichzelf en weet het niet. Het is moeilijk om afstand te doen van je droomen. Hij wijst de werkelijkheid norsch af. Een stuk ijs draagt hij mee, inplaats van een hart. Hij gaat troost zoeken bij anderen; hij, de een־
185