Monsieur Marcel meer van de beide misdaden moet weten. Hij herhaalt het tien, twintig, dertig maal per dag, maar achter in zijn hoofd hamert ononderbroken:
״Nee.., nee.., nee.., dat spoor is valsch, dat spoor is valsch!" Tegen Klarenberg houdt hij vol: ״Wacht maar ventje.. als ik dien Fransoos of dien Duitscher maar eens flink de stuipen op het lijf kon jagen. Een van de twee of allebei, heeft Mr. Lawrence wijs gemaakt, dat De Brie de uit־ vinding heeft. Zoodra de werkelijke dader bemerkt, dat de politie dien De Brie niet meer verdenkt, moet hij door de mand vallen...."
Het klinkt aannemelijk. Hij wilde maar, dat hij het zelf gelooven kon!
Jacobus Fredericus de Brie is dan eindelijk toch gekomen. Hij heeft 's morgens met een stotterstem naar het ״Imperial־Hotel" getelefoneerd. Of Mr. Lawrence hem dien middag, tegen een uur of drie kon ontvangen. Dat kón; en monsieur Marcel en Herr Gutsberg zouden er ook bij zijn. Konden zij zich meteen overtuigen van Mr. Lawrence's goeden trouw.
Jacobus Fredericus heeft lang geworsteld met zijn voorouders. Zijn hereditair minderwaardig־ heidsgevoel is niet dood; het zal pas sterven met
172