״Ping.... ping!"
Een sigarenwinkel is lekker warm. Het ruikt er krachtig en mannelijk. De bruine kleur van al die tabak geeft je een zoeten smaak op den tong: of je mocca eet.
Als Jacobus Fredericus de Brie met zich zelf spreekt, is hij een redenaar met veel overtuigings־ kracht. Hij is balk en rivier beide; hij sleept mee en laat zich meesleepen. Hij heeft een onvoor־ waardelijk geloof in zijn droomen. Een lekke schoen en een stempelkaart, dat is werkelijkheid. Droomen zijn zachte donzen bedden, waarin je lui en lekker ligt, zonder zwaarte óp, zonder hardheid ónder je.
Goed droomen is lang niet gemakkelijk: je moet nooit tot jezelf zeggen: „Ik droom!"
In het huis naastaan zit Klarenberg; hij grin־ nikt onophoudelijk. Het microfoontje in het zol־ derkamertje heeft hem woord voor woord het gesprek tusschen Mr. Lawrence en Jacobus Frede־ ricus overgebracht. Hij heeft den Engelschman hooren weggaan. Nu luistert hij naar de einde־ looze alleenspraak van Jacobus Fredericus. Recher־ cheur Klarenberg heeft pret. Hij is een nuchtere politieman. De poëzie van een sigarenwinkel heeft hij nog niet ontdekt; trouwens voor duizend gul־
163