zeker niet; de vent weet wat hij wil, dat zegt elk lijntje van zijn figuur. Waarom zou hij niet met hem praten? Baat het niet, schaden kan het toch ook niet. Onder verdenking staat hij toch, wie weet, misschien vertelt die indringer hem dingen, die zijn onschuld kunnen bewijzen.
״Ik weet precies", zegt Mr. Lawrence, ״ik weet precies hoe Mr. de Wind in Zwijndrecht vermoord
is---- en---- ik weet ook precies, hoe Mr. John
Masters hier beneden vannacht aan zijn eind is
gekomen____Het eenige wat ik niet weet----wat
me trouwens ook geen steek schelen kan, wat ik
zelfs niet weten wil____dat is, waar zijn lijk ver־
borgen is en waarom dat lijk zoo noodig moest worden weggemoffeld____"
„Tja", zegt Jacobus Fredericus de Brie aar־ zeiend. Iets moet hij toch zeggen, de kerel daar tegenover hem zit te wachten op antwoord, „tja.. er zijn zoo van die raadsels----"
„Maar wat ik wel weet", snijdt de stem van Mr. Lawrence vlijmscherp, „wat ik wél weet,....
mijn beste vriend Jacobus Fredericus de Brie----
wat ik wél weet, waarde vriend, dat is, waar het patent van de uitvinding is."
„Zoo, dat is een wetenschap die goud waard is!" stottert Jacobus Fredericus. Hij had het wel ge־ dacht; die vent weet meer van den moord dan goed is voor zijn gezondheid.
153