roepen," denkt hij. In zijn hoofd loeit een sirene met een snerpende gil.
Mr. Lawrence staat vriendelijk lachend in de kamer. Zijn stem is honingzoet, wanneer hij zegt:
„Mijn waarde vriend de Brie---- schrik niet.
Ik ben niet Uw vijand____ik ben Uw vriend. Uw
vriend in den nood. Gij hebt behoefte aan vrien־ den, laat mij U helpen!"
Jacobus Fredericus de Brie stottert:
„Wat wenscht U van mij?" maar hij denkt: „Ik zal dien vent aan de praat houden en op het
juiste oogenblik om hulp roepen---- Beneden
staat immers een agent voor de deur."
„Ik wensch", fleemt Mr. Lawrence, „ik wensch U een uitweg te wijzen uit de moeilijkheden." Zijn stem is een dreigende onweerslucht met zware, zwarte koppen, wanneer hij vervolgt: „U gaat onherroepelijk de gevangenis in, wanneer U niet
oppast----twee moorden----in Engeland zou je
daarvoor gehangen worden____levenslang zou het
minste zijn. Krimp maar niet in elkaar____de beul
heeft je nog niet----Wanneer je verstandig bent,
draai je er tusschen uit---- maar blijf toch niet
staan, man. Ga zitten____een sigaar?"
„Ik rook niet."
„Ga dan in elk geval zitten!"
Jacobus Fredericus houdt krijgsraad met zich־ zelf. Die vent doet zoo poeslief. Gek is hij vast en
152