bliksem; nou gaat die microfoon zijn geld ver־ dienen."
Mr. Lawrence is bij Jacobus Fredericus boven gekomen.
„Here you are, sir," zei hij vriendelijk, toen hij de kamer van Jacobus Fredericus de Brie binnenstapte.
„Ik schrik me mottig", repliceerde De Brie.
De oogen van Jacobus Fredericus de Brie zijn rood, de randjes voelen branderig aan.
Mr. Lawrence denkt:
„Die man heeft gehuild. Van angst en narigheid natuurlijk. Wanneer ik hem met de gevangenis dreig, zal hij wel spoedig door zijn knieën zakken.
Maar je kunt niet weten----laat ik het eerst met
stroop probeeren."
Jacobus Fredericus de Brie's hersens werken traag, o zoo traag. Aan zijn armen hangen gewich־ ten van honderd pond. Zijn schoenen hebben looden zolen.
Wat moet die vreemde snoeshaan in zijn kamer? Hij spreekt Engelsch en de vent ziet er tip־top uit. Van de politie is hij niet. Zou hij misschien de moordenaar zijn?
Jacobus Fredericus de Brie staat op. Wijkt een paar passen achteruit. Als hij nu maar eenmaal bij de deur is.
„Ik moet om hulp roepen----Ik moet om hulp
151