verdwijn ook in de verte, wat komt het er eigen־ lijk op aan? Hoeveel cellen zijn er in de straf־ gevangenis in Haarlem; een paar honderd min־ stens. Het dak is rond, het is verdomme een parapluie, een reusachtige parapluie. Als je daar־ onder mag schuilen, heb je geen regenjas meer noodig en geen portiek. Die rechercheur is een bloedhond, een gemeene taaie bloedhond.
Hij heeft zich vastgebeten in mijn strot en wil mij niet loslaten. Hij zuigt me alle sappen uit. Als de officier van justitie geen gelijk krijgt, neemt hij gelijk; dan hééft hij gelijk. Ik ga de kast in, wat komt het er eigenlijk op aan. Luchten of stempelen, een cipier of een huisbezoeker, modder is modder en van veertien gulden steun kan je geen dure zeep koopen....
De juffrouw van het pension spuit nog steeds haar zinnen in het vertrek, lange slierten maca־ roni. De kamer is er vol van, propvol; zij kronkelen om de hals van Jacobus Fredericus de Brie, verstikken hem. Hij is voorover gevallen op het tafelblad, het hoofd in de handen.
״Mot je daar nou om gaan huilen, mal jóg!" zegt moeke. Ze veegt met haar schort in haar oogen.
Boven heeft rechercheur Kalenburg in de kamers van Jacobus Fredericus een microfoontje stiekum achter een kleed aan den wand verbor־
148