Wat kan het mij ook verdommen? Nat is nat. Ik ben een straathond, ik heb schurft. De menschen mijden me. Ze jouwen me uit, de krengen!
Zij hebben een warme stal, een kachel, die een rood buikje heeft en een fluitketel, waar stoom uit komt, van die Iekker־gezellige witte stoom. Zij hebben hun Sinterklaas en hun Kerstmis, hun vrouw, waarmee zij ruzie maken en zich dan weer verzoenen, hun eigen tafel en hun eigen vors ken en lepels. Zij vechten tegen den regen, schuilen in een portiek of trekken een regenjas aan. Ik niet.... ik kan niet, ik wil niet: ik verrek vandaag of morgen toch. Wat dondert het eigenlijk, de wereld loopt immers op zijn eindje. John Masters is vermoord, zij hebben het lijk gemoerd en ik heb het gedaan, zeggen ze. Ik heb het niet gedaan, ik heb het niet gedaan, ik heb het niet gedaan! Ik weet van niks. Dat heb ik toch ook al tegen dien rechercheur gezegd, tegen dien bloedhond met zijn uitgezakte onderkaak. Kan me niks schelen, jij blijft thuis, ik zal zorgen, dat je stempel vacan־ tie krijgt. Ik mag het huis niet uit, voor de deur staat een agent. M'n kostjuffrouw jammert. Alles wat zij zegt is grijs en eentonig. De Haarlemmer־ weg is de eentonigste straat van de heele wereld; je loopt er altijd moederziel alleen. Wan־ delaars zijn er nooit, alleen maar automobielen. Die lachen je uit en verdwijnen in de verte. Ik
147