gen. Het dingetje staat ingeschakeld. In het huis naast־aan wacht Kalenburg geduldig. Die baas van hem is toch wel een slimme vos; als politie־ man moet je op de hoogte zijn van de vorderingen der techniek. Als Hokkert hier was, zou hij rond־ uit zeggen: ״Je bent een prachtvent!"
Hokkert kan die bewondering op het oogenblik best gebruiken. Moedeloos hangt hij in een hoek van de treincoupé. De moordenaar is sterker dan hij. Hij heeft zijn duister werk gedaan en is op־ gelost in den dampkring. Niemand kent hém, zal hem ooit kennen. Die sukkel van een Jacobus Fredericus de Brie kan het geweest zijn, maar waarschijnlijk is hij het niet. Herr Gutsberg kan den moord gepleegd en de uitvinding gestolen hebben, of monsieur Marcel of de Engelschman.
Die drie zijn nog zijn eenige kans. Op hen moet nu de volle aandacht geconcentreerd worden. Zij zullen onder voortdurende bewaking blijven, wie weet, wellicht komt er dan eindelijk eens een streepje licht in dit kelderdonker.
Frans Hokkert is moedeloos.
Terug op het hoofdbureau vloekt hij tegen den portier, tegen iedereen die hem tegenkomt.
„Dag meneer Hokkert", zegt juffrouw Melchers en zij dwingt haar stem tot vroolijkheid.
„Verrek", antwoord Hokkert, nijdig lomp, woedend.
149