het zolderkamertje van Jacobus Fredericus. Hij heeft een klap gehad, pardoes in zijn nek, met een zwaar stuk hout.
״Jij staat onder zware verdenking", heeft de rechercheur gezegd, ״onthoud je dag!"
De lucht rondom hem is ijl geworden, zoo ijl, dat het ademhalen moeilijk is, onmogelijk bijna!
Een oud mannetje, stijf van rheumatiek en wan־ kelend, zoo strompelt hij de trappen af; gisteren liep hij zoo moedig en vastberaden. ״Dan moet het maar", heeft hij toen tot zichzelf gezegd. De tram was eindelijk in zicht gekomen.
De open tram heeft hem aangereden. Nu is zijn zelfvertrouwen kaduuk.
In het keukentje praat hij wat met de schom־ melende pension־moeke. Trillend op haar beenen om het schandaal, het niet weg te praten schan־ daal van een moord in haar huis, om de schande van een verdwenen lijk in haar zaak, om het affront van een politieagent voor haar deur of het een verdacht huis is, een roovershol, een gok־ bajes.... trillend van verontwaardiging en smaad ratelt ze hem zinnen in de ooren. Kilometers lange zinnen, eindelooze straten met dof־grijs asphalt, zonder één boom, èèn sprankje groen.
Hij antwoordt niet.
Ik voel den motregen, den miezerigen zuigen־ den motregen wel, maar ik heb geen regenjas.
146