weet, mag hij toch zeker ook wel een duit in het zakje doen.
״Ik denk...." zegt Pijpers.
״Gut! Hoe is 't mogelijk?" snauwt Frans.
״Ik denk", gaat de veldwachter onverstoorbaar voort; hij snapt den grauw niet eens, ״ik denk, dat er wel weer wat aan de hand zal zijn met die herrie over de radio. Ze misgunnen malkander tegenwoordig in ons land het wit in de oogen en als de lui van de radio elkaar een loer kunnen draaien, dan laten ze het niet. Ik voor mij heb zoo de gedachte, dat er achter dit zaakje wel wat van dien radio־oorlog kan zitten. Als ik met het onder־ zoek was belast" — het is hem aan te zien, dat hij zich verongelijkt weet, maar grootmoedig wil zijn tegenover zijn gelukkiger collega — ״als ik met het onderzoek was belast, dan ging ik maar eens snuffelen in de buurt van de V.A.R.A. of de
A.V.R.O..... Bij den K.R.O. of bij de Christe־
lijken hoef je niet te zoeken; die zijn opgevoed in
de zuivere leer____trouwens, ik ben zelf ook van
de club van pastoor Perquin."
Frans Hokkert zint op een grofheid. Hij weet er genoeg, maar Pijpers zal ze toch niet snappen. De woordenstroom maalt door; zónder onderbreking. Pijpers debatteert nu met een onzichtbaren tegen־ stander, die den radio־omroep anders wil organi־ seeren dan hij____
144