״Nog wat verplaatst hier, veldwachter?"
״Geen kruimelke brood, chef!"
״Dank je!"
Vingerafdrukken zijn nergens te bespeuren. De moordenaar heeft natuurlijk met handschoenen aan gewerkt. Alles zegt: dat was een jongen, die wist wat hij wou; een vakman! Voetstappen ontbreken.
״Je hebt een auto gehoord, nietwaar veld־ wachter?"
״Hij reed als een duivel, chef."
Op de hobbelige keien van den Dijk zijn ook geen wielsporen te ontdekken.
Frans zoekt verder.
Als straks het parket komt, wil hij wat in zijn knuisten hebben. Maar wat? Grijp maar eens iets, als er niemendal is.
״Geef me eens dat papier.... dat op je mat lag, bedoel ik."
״Alsjeblieft."
Had hij wel gedacht. Een andere hand dan die van het stuk papier, dat hij in de kamer van John Masters in Amsterdam gevonden heeft. Maakt de kluwen sajet nog meer in de war.
״Wéér niks!" zegt Frans.
De veldwachter vindt zijn tong terug: Als die hooge meneer uit Amsterdam dan geen raad
143